MS blog van Tessa november 2015 Opknappen, hoe doe je dat?

De kuur is inmiddels ruimschoots achter de kiezen. De metaalsmaak is verdwenen, sinaasappels smaken weer. Mijn ‘gezonde’ rode (predison)konen zijn verbleekt. En de vrachtwagen, die voorheen gevoelsmatig tijdens ’n kuur over me heen reed, leek nu slechts ’n minibusje.  Alleen die bolle toet, die heb ik nog, maar die heeft ‘n andere oorzaak dan de prednison. Kortom, ik had deze keer weinig last van de medicijnen. Maar helaas, vooralsnog, net zo weinig profijt…

Mijn laatste prednisondag is al ’n tijdje terug. Mijn ouders brengen mij naar het ziekenhuis. En met elkaar wachten we gezellig terwijl het chemisch goedje, tot en met de laatste druppel, door het minuscule buisje op mijn hand, mijn aderen is in gelopen. Ik lig in een luie stoel op de Dagbehandeling. De fauteuils staan in een grote kring naar buiten gericht. Ik kijk over de daken van het ziekenhuis richting weilanden en snelweg. Naast mij ligt mijn vader. Ook op zo’n luxe, luie stoel. Ook met zijn benen omhoog. Zijn linkerbeen rust, sinds de vakantie, gebroken in het gips. Mijn moeder zal ons straks huiswaarts rijden. Terwijl mijn moeder, (wij noemen haar inmiddels ‘Florence’) zorgt, kookt, lacht, poetst en regelt en tussendoor ook nog tennist, hoeven mijn vader en ik niks. Met onze benen omhoog rest ons niets dan samen rusten en opknappen.

Maar dat ‘opknappen’, dat lukt niet echt. Ik blijf moe, mijn lijf blijft tintelen. En al die andere wankele klachten vergezellen mijn lijf iedere dag toch weer opnieuw. De lichamelijke vooruitgang lijkt (onmerkbaar) minimaal. Prednison kan twee maanden werken in je lijf. Bij het schrijven van dit stuk stroomt het medicijn dus nog door mijn lichaam. Bij het verschijnen van deze blog zal het inmiddels uitgewerkt zijn. Dus om het chemisch goedje zoveel mogelijk zijn werk te laten doen, wat doe je dan? Rusten, rusten en nog eens rusten! Gezond eten en dagelijks naar buiten voor frisse lucht en zonlicht.

Bij mijn ouders gaat dat reuze fijn. Ik hoef nergens aan te denken, voor alles wordt gezorgd.  Maar na een tijdje wil ik het toch weer zelf proberen. Met al mijn spullen in de auto brengen ze me liefdevol weer thuis. De hulptroepen staan paraat. Want opknappen doe je niet alleen.

Mijn buren doen de boodschappen en bij lieve vrienden word ik culinair verwend.  Ik hoef slechts ’s ochtends op te staan, me te douchen en aan te kleden.  Daarna neem ik rust.  Mijn fruitontbijt snij ik zittend, zelf. En in mijn eigen tempo verorber ik vitamines, yoghurt en muesli. Daarna rust ik. Rond het middaguur kan ik naar buiten voor de helende herfstzon. ’n Klein stukje fietsen in de frisse buitenlucht. Met ’n meegebrachte boterham pauzeer ik op bankjes in de buurt. En eenmaal thuis, rust ik weer. Mijn avondeten komt dankzij moeders ‘maaltjes’ uit de vriezer. Vrienden en buren nodigen mij uit voor het diner.  Kletsen, luisteren en rechtop zitten en eten, het lijkt ’n minimale inspanning maar schijn bedriegt.

Kortom, het is niet veel wat ik hoef te doen. Ik vraag hulp en accepteer deze. De vaat stapelt zich ondertussen op. De rommel laat ik achter me slingeren. Ik ben te moe om op te ruimen.

Terwijl er niemand is die wat van mij vraagt, geen baas die me verwacht. Niemand voor wie ik hoef te zorgen, geen kindjes die op mij bouwen.

‘Niets’ wat moet en toch is ‘alles’ nu te veel.

Ik red ’t niet voor mezelf te zorgen.

 Zeg ik dat nou echt? Ja, dat zeg ik echt.

En zo komt het dat ik opnieuw in het heerlijke kuuroord op de Veluwe ben.

Ik ben Tessa, 38 jaar, en ik woon weer even bij mijn ouders.

Mijn vader is inmiddels uit het gips en maakt grote sprongen voorwaarts. Hij zelf vindt dat zijn herstel veel te langzaam gaat. Het verbaast hem dat hij zijn conditie weer opnieuw moet opbouwen. Dat hij van ’n klein stukje lopen al zo moe kan zijn. Ik vind hem ongeduldig. Het is maar goed dat hij geen MS heeft…

Opknappen hoe doe je dat? Ik heb geen idee. Want vooralsnog lijkt dit nog niet te werken. Maar fijn is het wel. En gezellig ook. Ik ben blij met mijn ouders ,die zonder mopperen opnieuw voor mij willen en kunnen zorgen. Mijn moeder, die energiek duizend ballen in de lucht houdt. Die nu op de tennisbaan staat en straks óók nog met mij zal fietsen.

Omdat zij haar hand daar niet voor omdraait.
Omdat zij weet dat mij dat zo gelukkig maakt.
Omdat ik altijd hun kleine meisje blijf, dat nu wat extra zorg nodig heeft.

En met elkaar doen we er zo alles aan om de prednison te kunnen laten werken. Vriend ‘Het mannetje van de radio’ benoemt het prachtig als we samen op ’n bankje zitten: “Tess, het is rijkdom hoor, hoe jouw ouders er vóór en mèt je zijn.” En dat is het, “rijkdom”!

Aan mijn omgeving ligt het niet. De mensen om mij heen zijn lief, geïnteresseerd en behulpzaam. Vrienden zoeken me op, zelfs nu ik op de Veluwe in mijn ouderlijk huis verblijf.  ‘De Kaat’ bakt ’n taart, ‘De Onmisbare’ komt logeren. En met ‘Kleine Vos’ lach ik in de zon op het bankje  uit onze puberteit. En ‘De Prins’, die is er liefdevol en helend. Niemand is ongeduldig, niemand raakt geïrriteerd door de vermoeide zuchten die ongemerkt uit mijn longen ontsnappen.  “Hèhè,...” 

“Rijkdom”, dat is het. Te voelen dat er mensen om je geven, er voor je zijn zodra het minder gaat. Zonder mopperen voor je zorgen en je lachend mee naar buiten nemen. Me ‘uitlaten’, noem ik dat gekscherend. Volgens De Prins doe ik daar iedereen mee te kort. Alsof zij het niet ook leuk vinden. En heel eerlijk? Soms kan ik me dat inderdaad niet voorstellen.  Want wat heb ik nou te bieden? Hoe gezellig kan dit nou zijn? En wat als het hier bij blijft?...

Het zijn zware gedachtes in donkere wolken gehuld. Ze liggen dreigend op de loer om de breekbare herfstzon te verdrijven. De lucht in mijn hoofd is nog maar ijl. Dus ik leid mezelf af om daar niet aan te denken. Ik ga naar buiten. Nu is nu, in een gezellig kuuroord bij mijn ouders op de Veluwe. Waar nog even niets moet, van alles mag. En de prednison nog even tijd heeft om te werken. Ik heb geduld.

En misschien gaat het opknappen wel net zo langzaam maar zeker als de vorming van een schrikkeljaar. De aarde draait in 365 dagen rustig om de zon. Ongemerkt komt daar dagelijks slechts ’n seconde of wat bij. Het lijkt zo weinig, maar die kleine onopvallende secondes, vormen bij elkaar opgeteld, na vier jaar toch ’n hele dag! (23 uur en 15 minuten). Misschien gaat mijn herstel wel net zo onmerkbaar traag. MS is ten slotte geen gebroken been. En met al die kleine, onmerkbare stapjes voorwaarts opgeteld, kruipt mijn leven van de zes vast weer naar de negen!

Bron: Publicatiedatum: 9 november 2015