MS blog van Tessa maart 2016 Als donkere wolken en zwarte gaten mijn hoofd overnemen

Wanneer donkere wolken en zwarte gaten mijn hoofd overnemen

In alle rust leg ik ’s avonds met aandacht mijn spullen klaar. Kleding voor in de taxi. Warme kleren voor op de fiets: Been- en armstukken want morgen wordt het fris. ‘n Lege thermosfles staat erbij zodat ik die niet vergeet met warme thee te vullen. M’n navigatie laad ik op in het stopcontact naast deze stapel. Dan weet ik zeker dat ik deze, met gevulde batterij, daadwerkelijk meeneem. De paperassen voor de telefoongesprekken liggen uitgespreid op tafel met pen en ‘n notitieblok. Ruim op tijd zet ik mijn wekker zodat ik op morgen de afgesproken tijd telefonisch bereikbaar ben. Opdat alles vlekkeloos zal verlopen is goeie nachtrust ‘n must. Ik neem ’n slaappilletje voor de zekerheid.


Morgen wordt ’n drukke dag. In de ochtend staan twee telefoontjes gepland waar ik mijn hoofd goed bij wil houden. Belangrijke zaken en opletten is vereist. Daarna reis ik met de taxi naar ’n naburig dorp. Daar staat mijn fiets die ik daarna als ontspanning heerlijk naar huis kan fietsen. Dan zal ik, met fiets en al, op tijd thuis zijn voor mijn fysiotherapie. Een en ander is goed gepland en zorgvuldig overdacht. Tot in de puntjes ben ik voorbereid. Voldaan val ik, vol vertrouwen, rustig in slaap. Dit moet goed gaan.

Na ’n diepe slaap word ik op tijd wakker. Telefoontje één verloopt prima. We hebben alles goed besproken en geregeld. Ik heb even pauze voor telefoontje twee. Tijd voor koffie en wat eten. Ook het tweede gesprek verloopt goed. Geen vuiltje aan de lucht. Maar wacht, waar zijn mijn fietssleutels? … Ha, was ik toch bijna voor niks naar mijn fiets gegaan! Gelukkig bedenk ik het mij op tijd. Ik leg de sleutels zichtbaar náást mij op het bed. Dan kan ik ze niet vergeten en hoef ik ze straks niet te zoeken, mocht ik niet meer weten waar ik ze heb ingestopt. Op bed zal ik rustend wachten tot de taxi komt. Ik heb zelfs nog tijd om ’n mail te versturen. In concentratie verzonken wordt er op mijn slaapkamerraam getikt. Het is Vriendin Flo! Ze haalt me eigenlijk uit mijn planning maar wat heb ik haar lang niet meer gezien.

Ze was in de buurt en komt ’n knuffel brengen. Lief, maar in gedachten ben ik er niet helemaal bij. De mail,… de taxi,… de gesprekken aan de telefoon. Terwijl Flo met me kletst belt de chauffeur, hij zal over vijf minuten bij me zijn. Het nerveuze gevoel dat ik de grip op mijn zorgvuldige planning verlies, bekruipt mij. Met mijn lieve vriendinnetje in de gang voel ik dat ik iets vergeet. De thermosfles heb ik niet gevuld, nou vooruit dan niet. Fietskleren prop ik in de tas, navigatie er opgeladen bij. Wat mis ik?... M’n fietssleutels! Waar zijn mijn fietssleutels?! De deurbel. De taxi staat klaar. In paniek zoek ik mijn kamer rond, ik weet zeker dat ik ze had klaargelegd, maar waar?

Flo sust ondertussen de chauffeur. “Ze komt er zo aan”, hoor ik haar zeggen. Daarna zoekt ze met mij mee. Tig keer kijk ik in de tas. Fietskleren erin en eruit. Heb ik de sleutels in ’n jaszak gedaan? Misschien in mijn fietsjack van ’n vorige tocht? Naast de lader van de navigatie? Natuurlijk zoek ik op en onder mijn bed. De chauffeur staat inmiddels in de deuropening terwijl ik zoekend over de grond kruip. Aan zijn geduld komt een eind: “Ik moet door, er wachten andere mensen. Als u niet meekomt, krijgt u ’n boete.” Het huilen staat me nader dan het lachen. Ik weet zeker dat ik ze had, … De chauffeur vertrekt. Nog geen twee minuten later vind ik de gewraakte sleutels terug op de grond. Ze waren ergens onder gegleden toen ik ongepland uit bed stapte om de deur voor Flo te openen. Pas dan weet ik weer dat ik ze éxpres naast me op het bed had neergelegd.

Zodat ik ze niet zou vergeten.

Zodat ik niet zou hoeven zoeken.

Het was goed en zorgvuldig uitgedacht. Moedeloos word ik van mezelf als ik, op het moment dat het ertoe doet, mijn eigen gedachtes niet meer vind.

Flo vertrekt en ik herpak mezelf. Oké, geen taxi maar fietsen zal ik! Ik zal mijn fiets ophalen met de bus. Dat is vervelend overstappen en het kost me fiets-tijd, maar vooruit. De eerstvolgende bus gaat pas over ’n uur. Met mijn mobiel maak ik ’n schermafbeelding van de buslijn en vertrektijd. Ik zet mijn spullen klaar voor plan B. In de resterende wachttijd kan ik nog wel ’n telefoontje doen. Op het notieblok voor mij schrijf ik het nummer van de buslijn en de vertrektijd zodat ik deze, al telefonerend, niet vergeet. 

Opnieuw heb ik ’n goed gesprek. Na ’n tijdje vertel ik de dame aan de lijn dat ik de bus moet halen maar we kunnen het gesprek rustig afronden terwijl ik naar de halte loop. Ik zal haar dan wel even neerleggen als ik mijn spullen pak. “Ik moet met aandacht mijn deur afsluiten, anders gaat ’t mis”, leg ik uit. Telefonerend loop ik daarna naar de halte.

Daar is lawaai: Bussen trekken op. Mensen praten. Auto’s. Binnen een mum van tijd ben ik de twee cijfers van mijn buslijn vergeten. Met de telefoon van mijn oor af vraag ik een buschauffeur waar hij heengaat. Hij vraagt welke bus ik moet hebben. Ik weet het niet meer. Waar moest ik heen? Die twee cijfers van de buslijn… De halte van het dorp, alle informatie lijkt uit mijn hoofd verdwenen. Terneergeslagen stap ik uit. Ik rond het telefoongesprek af, dit kan ik niet tegelijk.

Dankzij de schermafbeelding op mijn mobiel weet ik weer wat mijn plan is. De bus komt er gelukkig aan. Alsnog op weg voel ik hoe verdriet mij langzaam vult. Hoe kan dit nou?... Waarom lukt mij dit niet? Ik had het toch goed bedacht? Het lijkt wel alsof mijn hersens zwarte gaten hebben die kennis naar zich toe zuigen en er in laten verdwijnen.

Onderweg veranderen de vragen in mijn hoofd van toon. Het is ’n kleine stap van: “waarom lukt mij dit niet?” naar diepzwarte conclusies: “Zie je wel, ik kan ook niks. Ik ben niks waard. Wat hebben mensen eigenlijk aan mij?” Tot: “Niemand zal mij missen,”

Mijn binnenste kleurt inktzwart. Ik weet dat dit overdreven is. Dat dit natuurlijk niet waar is. En dat het morgen heus weer anders zal zijn. Maar toch, die nare zwarte golf overspoelt me. De bus is op het eindstation, hier moet ik overstappen. Buiten zuig ik mijn longen vol frisse lucht. Als ik dadelijk fiets zal het vast beter gaan. Verderop vertrekt ’n bus.

Míjn bus, die moest ik hebben! Alle woede in mij geeft energie en ik zet het op een lopen.

Schreeuwend ren ik er achteraan. Ik ben na alles zo dichtbij, het zal toch niet, alsnog… De bus stopt, deuren gaan open. Boos en opgelucht tegelijk stap ik naar binnen. “Ja, jij zat verkeerd hoor”, begint de buschauffeur. Hij heeft gelijk. Ik heb niet bedacht dat er een andere halte kon zijn dan waar ik ben uitgestapt. Zoveel logica past op het moment niet in het zwarte gat dat mijn hersenpan heet.

Veel later dan gepland sta ik uiteindelijk naast mijn fiets. Van lekker fietsen is geen sprake meer. Ik zal mij moeten haasten om op tijd thuis te zijn voor de fysiotherapie. De nare gedachtes hebben zich verpakt tot donkere wolken in mijn hoofd. Het is onzin om te denken dat ik niks waard ben. Dat weet ik heus. Maar soms kan ik dat kennelijk zomaar voelen. Gefrustreerd stap ik op mijn fiets. Ik ken de kortste route maar schakel toch mijn navigatie aan. Mijn hersens zijn niet te vertrouwen.

Om mij heen wordt het net zo donker als in mijn hart en hoofd.

Koude wind steekt op.

Boven mij pakken grauwe wolken samen.

Dikke hagelstenen storten kletterend naar beneden.

Tuurlijk, kom maar op, denk ik.

Kouder en zwarter kan het vandaag niet worden.

Ik voel zoveel ellende dat ik er zelfs voorzichtig om kan lachen.

Bron: Publicatiedatum: 25 maart 2016