MS blog van Tessa oktober 2016 Held van de dag

Held van de dag

Eventjes mag ik de held zijn. Terwijl ik meestal degene ben die ’n handje nodig heeft. Of soms niet ‘nodig’ heeft maar toch krijgt. Als er bijvoorbeeld spullen gesjouwd moeten worden. Agenda’s worden bepaald of deuren worden opengehouden. Maar al te vaak doen mensen dat voor mij. Ingewikkeld vind ik dat vaak. Irritant ook soms. Terwijl het vriendelijk is bedoeld.  Is het hoffelijkheid? Of is het omdat ik het niet zelf zou kunnen? Makkelijk is het, eerlijk gezegd, ook vaak. Want die helpende handen besparen mij kostbare energie. Maar eigenlijk wil ik het liefste alles zelf doen. En nu mag ik de held zijn in mijn eigen scenario. Dat voelt reuze goed!

Wat is er aan de hand? De Prins en ik fietsen heerlijk door Zuid-Frankrijk. Hij op zijn ultra lichte racefiets ik op mijn zware maar stabiele hybride fiets ernaast. We beklimmen dezelfde bergen, genieten van dezelfde uitzichten. Mijn benen werken alleen iets harder dan de zijne dankzij zijn ultra lichte fiets. Mijn zware fiets heeft zelfs een bagagedrager. Niet cool. Niet licht. Maar reuze handig! In mijn gele fietstassen draag ik het brood, water en fruit voor onderweg. En natuurlijk ’n inbussleutelset en ’n bandenplakset. Je kunt nooit weten… Hij noemt mij, volgens de officiële wielertermen, liefdevol zijn: ‘meester-knecht’. Dan zal hij de kopman zijn. Zo zijn de rollen verdeeld. Totdat…

KNAL!!!

Godzijdank staan we stil onder een fotogenieke overhangende rots voor en selfie als het gebeurt. (Je moet er niet aan denken wat er kan gebeuren als zoiets je overkomt tijdens een afdaling…) Stilstaand, met onze voeten veilig op de grond, ontploft zomaar zijn band. Een enorme knal. Fijn, die plakset en inbussleutels in mijn fietstas, maar hier is geen plakken meer aan. In binnen- én buitenband zit plotsklaps een gapend gat. Of ik niet óók een nieuwe bandenset had mee kunnen nemen, vraagt De bijdehante Prins zich grappend af

 


We zijn dan nog slechts één kilometer verwijderd van het dorpje waar we naar toe willen. Eén kilometer hoog boven ons. Er wacht een steile klim. Het is zaterdagmiddag vier uur. De meeste winkels in Frankrijk zijn al dicht…  We besluiten dat ik vast omhoog zal fietsen. In het dorp zal ik op zoek gaan naar een fietsenmaker, ’n winkel of een Office du Tourisme. Iets wat ons verder kan helpen. De Prins zal de laatste kilometer met zijn fiets aan de hand omhoog lopen.

Gelukkig op zijn wandelschoenen. Want ook die zeulde ik (toevallig) mee in de zware gele fietstas.

Het dorpje ziet er prachtig Frans uit. Maar is ook stil en verlaten zoals Franse dorpen kunnen zijn. Natuurlijk is er een Mairie (gemeentehuis) en een Office du Tourisme (VVV). En een kroeg en restaurantjes. Je bent immers in het land van de Bourgondiërs. Maar een fietsenmaker; ho maar. Een supermarkt?  ‘in your dreams’ (of eigenlijk: dans tes rêves). In het Office du Tourisme tref ik een vrijwilliger aan. Een oude man die eigenlijk vooral hoort bij de kunstgalerie erachter. De ‘monsieur’ is onbekend in het dorp. Weet niets van fietsen. Hij weet ook niet hoe hij de dichtstbijzijnde fietsenmaker kan google-en. Want, ‘Internet’ wat is dat? Wel komt hij met kaarten vol fietsroutes aan van de omgeving en andere mooie bezienswaardigheden. Maar niets waar wij nu wat aan hebben. Hoe komen wij terug op de camping terwijl het later en later wordt?...

Dan verschijnt voor de deur van het Franse VVV-tje de Prins met zijn racefiets aan de hand. Hij heeft goed nieuws. Terwijl hij de laatste kilometer naar boven klom kwam er een Engelssprekende Fransman met een busje naast hem rijden. Of hij een lift nodig had. De beste man woont in dit dorp in het enige huis tussen de kerk en de plaatselijke fontein. Hij kan De Prins na zessen, met fiets en al, terug naar de camping brengen.

Geregeld!

Gelukkig. Maar hoe kom ik terug? Het busje biedt geen plaats voor mijn bakbeest op wielen. We overdenken dit vraagstuk rustig in een plaatselijk café met een ijsje voor de schrik.

Met de koude suikers op mijn bord wordt het om mij heen ook steeds kouder. Ver weg in de bergen zie ik de bliksem lichten. Slecht weer op komst. Het begint te waaien en de lucht wordt donker. De Prins biedt aan om op mijn fiets terug naar de camping te gaan. Dan kan ik, met zijn racefiets, rustig wachten op de Engelssprekende Fransman bij de fontein.

Maar dat gaat mij te ver.

In mij ontwaakt mijn onafhankelijk instinct. Ik wil het zelf doen! En eerlijk gezegd, ik ben nog lang niet uitgefietst. Mijn benen zijn sterk en mijn hoofd is helder. En het voelt stiekem ook wel even lekker om zelfstandig op pad te gaan. Maar dan moet ik opschieten. De donder dreigt.


Ik trek mijn roze windjack aan en maak nog een foto van waar ik De Prins achterlaat. Hij wacht op een muurtje terwijl ik begin aan mijn heroïsche tocht. Het onweer buldert steeds dreigender dichterbij. Is dit veilig? Het heeft geen zin daar nu nog bij stil te staan. Trappen en gaan! Zo snel mogelijk naar de tent. Waar het net nog heerlijk afdalen was, zit nu een stevige klim, maar met de haast in mijn benen fiets ik zelfs twee Fransozen voorbij die op hun racefiets (!) naar boven koersen. Ha, dat geeft een kick! Daarna zal de weg vooral afdalend zijn. Op het natte, glibberige wegdek is ook dat ’n uitdaging.

Maar het voelt heerlijk. Ik kan dit zelf!  

Natuurlijk had De Prins op mijn fiets terug kunnen gaan. Terwijl ik hoog, droog en veilig zou wachten op de lift. Dat was misschien gewoon hoffelijk geweest nu het weer zo slecht is.  Maar het voelt veel te vaak alsof dingen van mij worden overgenomen. Zeker als het spannend wordt. Op mij kun je ook vaak, zomaar niet bouwen. Maar nu, nu ben ik degene die de boel onder controle heeft.  En het is heerlijk.

 Ik voel de kou op mijn blote benen. Mijn zicht is scherp terwijl ik gecontroleerd afdaal en de risico’s inschat. En terwijl ik mij voel groeien in mijn kracht kondigt mijn navigatie het einde van zijn accu aan.

Toe maar, lach ik. Vandaag kan ik alles! Ik, ik weet heus de weg. Vandaag heb ik geen hulpmiddelen nodig! Ik lach hardop. Haast overmoedig. Maar je moet wat in heroïsche tijden terwijl de donder naar je gromt. De bliksem om je heen kraakt.

Ik haal het.

Veilig op de camping glijdt het onweer weg. Triomfantelijk wacht ik De Prins op bij de receptie.

Natuurlijk was ik pas écht ‘de held van de dag’ geweest als ik na dit hachelijke avontuur zélf de auto had gepakt. Als ik zelf naar het dorpje hoog boven in de bergen was teruggereden en daar De Prins en zijn ultra lichte racefiets had kunnen oppikken. Maar hé, kniesoor die daar op let. Want aan alle concentratie komt een eind. En heel eerlijk, mijn pootjes moeten vooral rusten in plaats van in de auto te stappen.

Maar toch, wat is het fijn in controle te kunnen zijn.

Terecht of niet; Ik voel mij de held van de dag!


Bron: Publicatiedatum: 30 oktober 2016