MS blog van Tessa september 2016 Bewijsdrang of genietdrang

Bewijsdrang of genietdrang

Schreef ik vorige maand nog dat ik verre van bikiniklaar was, nu wurm ik mijn verslapte lijf in ’n fijn verhullende wetsuit. Het aantrekken is een crime. Maar eenmaal in mijn neoprene pakje waan ik mij een baywatch-ster. En ja, dat is reuze overdreven maar wat kan mij het schelen? Ik sta met mijn grillige lijf aan de start van een open water zwemwedstrijd! Zeven en een halve kilometer is het parcours langs de Zeeuwse kust in de Noordzee. Ik weet bij voorbaat dat ik de finish niet haal. Ik zal halverwege de race uitstappen. Meedoen is belangrijker dan finishen,… laat staan winnen.

Om mij heen rekken en strekken profi zwemmers hun lenige lijven. Overal witte, genummerde badmutsjes.

Ik ben de trotse drager van nummer 34. De verplichte oranje opblaasbare boeitjes zwieren om onze heupen. Voor ons staat een man van de organisatie. Hij legt de regels uit; “We zwemmen linksom om de boeien. Op het strand rijdt een auto van de kustwacht. Langs het zwemparcours varen tien sloepen van de reddingsbrigade. Als de race te zwaar wordt trekken ze je uit het water. Geef dan je startnummer door om je af te melden.” Ik hoor het allemaal gespannen aan. Op de achtergrond rollen flinke golven.



“Hier, dik aanbrengen op jouw onbedekte huid.” Met die woorden drukt Simba, de vriendin van de Triatlonman mij een pot vaseline in de hand. Simba is een  mooie, stoere vrouw met glanzende, koperblonde lokken die als prachtige manen rond haar gezicht golven. Vandaar haar bijnaam naar de leeuw uit the Lion King. Simba kan goed zwemmen. Ze had alleen geen zin in deze race die haar vriend, de Triatlonman weer wil doen. Liever moedigt ze aan vanaf de kant. In de zon. Op een badlaken, bij voorkeur in bikini. Maar ja, als ik het toch zo graag eens wil proberen  zal ze wel een stukje mee zwemmen. Bij Simba ben ik veilig. Van de organisatie mogen we meedoen ook terwijl we bij voorbaat weten dat we het einde van de race niet zullen halen. Dat ik MS heb, weet de organisatie niet. Dat heb ik bij mijn inschrijving maar niet vermeld. Ze zouden me misschien uit veiligheid (en onwetendheid) niet laten starten.


 “Om zeventien minuten over elf begint het tij te keren en om half twaalf heb je stroming tegen.” Waarschuwt de man van de organisatie. Voor de andere 56 witte badmutsen lijkt het gesneden koek. Voor mij is het ‘n volkomen nieuwe wereld.

Ik sta nog voor mij uit te suffen met de pot vaseline in mijn hand. Niet begrijpend kijk ik Simba aan. “Gauw smeren!” sist ze. “Da’s tegen de kwallen.” Tegen de kwallen?! Kwallen?... Daar was ik niet op voorbereid.  Dit hele doldwaze plan begint wat scheurtjes te vertonen. Is dit wel zo verstandig? Het is een twijfelende gedachte die ik direct de kop indruk. Op mijn lijst met wensen die ook wil beleven staat ‘n open water zwemrace, dus nou niet pietlutten.

Waarom wil ik dit soort dingen? Het is een vraag die mijn gezonde (minder sportieve) vrienden mij stellen. Volgens hen willen mensen die lichamelijk iets mankeren zich extra bewijzen. Met die gedachte loop ik met de uitgelaten groep zwemmers naar de kustlijn. Ik weet dat er genoeg gezonde mensen dit soort sportieve uitdagingen niet aangaan. Een vriend met MS beleeft zijn prestaties volgens zijn motto: “Nu het nog kan.” Zo wil ik het niet zien. Het impliceert een eindigheid aan het ‘kunnen’ die me bedrukt.

Ondertussen staan mijn voeten in het lauwe zeewater. Dat voelt goed. Om mij heen de groep met witte mutsjes en oranje boeitjes. Even ben ik een van hen. Van buitenaf is er niets wat mij onderscheidt of anders maakt. Waarom zouden zij dit doen? Gewoon om dat het leuk is, een uitdaging? Omdat zij niet vies zijn van competitie? Dat laatste is iets waar ik niets (meer) mee heb. Ik hoef niet ver. Ik hoef niet hard. Ik hoef zelfs de finish niet te halen. Maar voorlopig doe ik mee. Gewoon voor de lol! Misschien wel net als hen.

Dan klinkt de start toeter. Om mij heen rennen en springen de wetsuits door de golven. Simba en ik kijken het lachend aan voordat ook wij ons rustig een weg door de golven banen. Ik loop tot mijn middel de golven in. Dan neem ik een heerlijke, verfrissende duik. De start is nog maar net geweest en we hebben nu al een enorme achterstand op de groep. De golven laten zich moeilijk bedwingen door mijn schoolslag.

Ik heb niet genoeg kracht om hier doorheen te komen. Water vult mijn neus. Wat zit dat baywatch-pak strak om mijn nek… Het voelt alsof ik geen lucht meer krijg. Naast mij zwemt Simba. Haar krachtige longen hebben genoeg lucht om naast het ademen ook nog te praten. Ik hoor niet wat ze zegt. Focus op mezelf. Er lijkt geen einde aan die vermaledijde golven te komen. Met alle kracht die ik heb, ploeter ik mij vooruit. Kom ik wel vooruit? Als we zo uit de branding zijn zal de stroming ons mee voeren. De wind is hard gaan waaien. Westenwind kracht 5. Als ik ooit maar uit die branding kom…

De eerste boei laten we liggen. We steken schuin door naar het parcours waar de stroming ons zou moeten helpen. Naast ons ronken inmiddels twee boten. Hun uitlaatgassen benemen me de weinige lucht die ik nog heb. Terwijl Simba kletst alsof ’t niks is, praat ik mezelf, in stilte, kalmte toe. Paniek daar heb je niks aan. ‘Blijven ademen Tes. Gewoon blijven ademen.’ Boven het lawaai van de golven bulderen de motoren van de reddingsloepen. Mannen in oranje zwemvesten schreeuwen naar elkaar in hun walkie-talkie. Ik kan ze niet verstaan. Een paar paniekerige woorden versta ik wel: “Draaikolken”en “zij redden het niet.”

Rustig blijven Tes. Rustig blijven ademen.

Voor ik goed en wel mijn adem onder controle heb, word ik bruut aan boord gehesen. Op mijn knieën stuiter ik hard op de bodem van de reddingsboot. Simba komt er een stuk eleganter achteraan. Beduusd zit ik met mijn rug tegen de oranje opgebolde zijkant gedrukt. Mijn ego ligt aan diggelen rondom mijn, met vaseline besmeurde, voeten. Gered. Tegen wil en dank.
 
Ik ben geschrokken van het plotselinge geweld van dit water-avontuur waar ik wellicht wat te onvoorbereid in ben gesprongen. De oranje pakken praten met Simba, die koelbloedig niet onder de indruk lijkt. Ze spreken over de draaikolken die we tegen zouden komen. Over de race die zoveel heftiger verloopt. En hoe zij bij de andere wedstrijdzwemmers moeten zijn. Oké, ik snap wel dat wij uit veiligheid uit het water gevist moeten worden. Dat wij de race nog vroeger moeten verlaten dan we hadden bedacht. Maar toch voel ik teleurstelling. Het doet me goed dat het voor de reddingsboot een flink eind blijkt om ons weer naar de start te brengen. Kennelijk hadden we toch wat zee(kilo)meters afgelegd.

Twee uur later zijn alle zwemmers gefinshed. Er zijn er nog meer uit het water gehaald. In de rumoerige strandtent volgt de prijsuitreiking. Ik ben te moe daar bij te zijn. Daarnaast heb ik geen enkele reden om er bij te zijn. Ik heb niet eens ’n medaille gekregen. Toch moet ik de trap op naar de strandtent want daar is het toilet. Ik krijg mijn benen amper nog omhoog. Voetje voor voetje schuifel ik naar boven, het is op.
Ik ben op.
Leeg.
Pijn maar voldaan.
Bovenaan staat ‘n jongen van de organisatie. “Nou nou, was het zo zwaar?”lacht hij hardop. Ik blijf stil. Hij moest eens weten, denk ik bij mezelf. 
 
Ben ik ontevreden over deze, wellicht, onderschatte missie?
Welnee! Ik ben ‘n ervaring rijker. Mijn prijs was het al dat mijn naam tussen al die (gezonde) sporters prijkte. Ik ben Tessa, en ik doe mee!
 
Dus hebben mensen met een ziekte iets nodig om zichzelf te bewijzen?  Beklimmen ze daarom bergen? Fietsen ze daarom de Alpe d’Huez op of de Mont Ventoux? Volgens mij niet. Deze maand ben ik met Move for MS opnieuw bij de Mont Ventoux. https://www.inactievoorms.nl/actie/tessa-in-actie-3  Als mijn lijf goed voelt, fiets ik (’n stuk) omhoog en als mijn lijf die dag niet wil, dan doe ik het niet. Ik weet nog maar al te goed dat ik hier vorig jaar mijn speeches niet staande kon houden, laat staan dat ik kon fietsen. Dus alles is goed.
 
Meedoen is belangrijker dan winnen.
Er bij kunnen zijn is al genoeg.
Ik heb niets te bewijzen, slechts te genieten.
 

Bron: Publicatiedatum: 30 september 2016