MS-blog Tessa maart 2015 Feest! of voor mij toch niet?

Feest! Of voor mij toch niet?...

Het wordt feest. ’n Gezellig samenzijn met ’n hapje en ’n borrel in een restaurant in de hoofdstad. We zullen dineren en daarna het glas (meermaals!) heffen op mijn vriendin: ‘de Onmisbare’. Zij vertrekt voor ’n bijzondere reis, minstens ’n half jaar, naar den verre. Reden genoeg voor een afscheids-festijn. Maar is het voor mij eigenlijk wel zo fijn?...

Ik wil, met mijn MS, mee (kunnen) doen. Maar wat voor de een staat voor een gezellig uitje, is voor mij vaak ’n vermoeiende onderneming. Waar de een ‘n avondje doorzakt en de volgende dag met ’n kater, of op z’n minst ’n bonzend hoofd, terugkijkt op een leuke avond, draag ik grotere gevolgen lang mee. Na zo’n vrolijke uitspatting kan mijn lijf grove steken laten vallen. Variërend van slecht lopen, delen huid niet meer voelen, intense tintelingen van binnen, tot zicht met gaten in mijn beeld.

Zeven jaar geleden. ‘n Avond in vrolijke beschonken toestand. Ik weet het nog goed. Het werd mijn laatste keer. Weken was ik daarna uit de running. Liggend op de bank, onzeker of alles weer op zou knappen, likte ik mijn wonden. Oké, hoe gezellig het ook was, dit nooit meer. Overmatig alcohol-gebruik heb ik sindsdien uit mijn agenda geschrapt. Drukke, lawaaierige, en daarmee energiezuigende, verjaardagen ook. Maar het afscheidsfeest van de Onmisbare? Ik ga! We maken ’n plannetje, dat het haalbaar maakt.

Ik blijf slapen bij de Onmisbare. Dat geeft ons quality-time en scheelt ’n uitputtende, nachtelijke treinreis terug. Stations in het donker zijn met ’n vermoeid hoofd verre van ideaal. Ik kan overdag al volledig gedesoriënteerd de verkeerde kant op reizen, dus dat wordt bij nacht helemaal ’n uitdaging. Nog maar te zwijgen over de ontelbare stoepjes en opstapjes, die er ongemerkt de weg versperren. En vaak vergeet ik dan ook nog uit te checken.

De avond begint, net als het uitgaan vroeger, met de juiste kledingkeuze. Maar nu om andere redenen. Ja, ik zie er graag leuk uit, maar het moet vooral lekker zitten. Geen knellende banden die pijnlijk drukken op mijn huid. Geen stijve, harde (spijker-)stof. Kleding met laagjes om de temperatuur te reguleren. Is het te warm, dan gutst mijn kostbare energie genadeloos weg. Kittige hakjes heb ik inmiddels afgezworen. Onder rokjes en jurkjes draag ik goeie stappers met ’n solide, brede hak. Ik wankel al genoeg. Het wordt ’n blauw jurkje. Soepele panty en knalrode, lange laarzen. ’n Bloem in mijn haar maakt het af. Laat het feest maar komen!

We eten aan een grote tafel. Ik zit aan het hoofd, daar kan ik mijn benen op de bank te rusten leggen. (Als mijn benen naar beneden hangen gaan ze nog meer tintelen. Ik kan ze ook gekruist voor mij leggen, maar dat is met mijn jurkje weer niet zo handig.) Twee borden verder vraagt iemand enthousiast hoe het mij is. Ik wil graag antwoorden. Het gaat nu immers goed. Maar het lawaai in het restaurant overstemt mijn geluid. Dit volume kost te veel kracht. “Ik kom straks naast je zitten. Dan vertel ik het graag,” schreeuw ik over tafel.

Na het eten verkassen we naar de borreltafel bij de bar. Staand praten we over de muziek heen. Het is benauwend warm. Pfff, waarom is dit ook al weer leuk? Het geluid maakt mijn hersens in de war; ik raak mijn eigen gedachtes kwijt. Ik moet naar buiten. Frisse lucht en stilte. Rookte ik maar, dan had ik ’n excuus. Onmisbare’s vader loopt mee. Dat is fijn, maar niet zoals het hoort. De drukke gezelligheid is binnen, in de lawaaierige warmte. Ik sta buiten, rustig en koel. ’n Verademing. Zo’n feest lijkt niet aan mij besteed. Kan ik dit niet meer?...

Onmisbare’s ouders pakken zo de trein. Wat zal ik doen, vervroegd aftaaien of blijven? Ik hou dit niet lang vol. Wat nou als zij op haar feest tot het gaatje wil gaan? Hoe kom ik dan bij haar huis? Gedachtes die het me nog warmer maken. Onmisbare leest mijn gezicht en vraagt wat er aan scheelt. “Ik kan eigenlijk niet meer,” zucht ik. “Ik moet zitten, maar ik wil jou niet lastig vallen.”

Nu is ze boos... “Wie heeft het over lastig vallen?!” Behendig schuift ze tafels opzij. Onder jassen, tassen en paraplu’s komt ‘n bank tevoorschijn. Met ’n krachtig gebaar maakt ze ’n zitplek vrij. “Zo, zitten jij!” Hèhè, dat scheelt. Ik deel mijn angst. Zal ik toch maar met de trein naar huis? Want wat als zij door wil halen? Ik ben nu al zo moe... Mijn beren op de weg schiet Onmisbare af. Zij is ook moe, sust ze. “Ik moet nog zoveel doen voor vertrek; ik maak het écht niet laat. Maar als je naar huis wilt, moet je gaan.” Dat scheelt, het delen van mijn angst geeft rust. Zittend hou ik me staande. We plaatsen ’n stoel voor de bank. Mijn kinky laarzen erop en mensen schuiven naast me voor ’n rustig kletsje.

Terwijl de drankjes vloeien merkt niemand, dat mijn hersens niet scherp zijn. Het lawaai dendert ondertussen pijnlijk door mijn lijf. We lachen en we proosten, ik met Spa. Tot de Onmisbare het tijd vindt om te gaan. Ik mag achterop haar fiets. Zij maakt vaart en met mijn laatste energie trek ik een sprintje tot de bagagedrager. Triomfantelijk spring ik er op. Zo, dat kan ik nog. Het zit ongemakkelijk. Mijn rode laarzen rusten vermoeid op de kettingkast. Haar middel hou ik stevig vast. Ik zal haar missen, mijn Onmisbare op avontuur. Samen cruisen we door de hoofdstad. Koude wind waait door de nacht. Drankgelach klinkt in de straten. Het is feest en ik ben er bij. Morgen zal ik rusten.

Bron: Publicatiedatum: 30 maart 2015