MS-blog van Tessa september 2015 Wanneer yoga inzicht en confronterende tranen brengt

Al jaren stretch ik mijn stijve lijf met fantasierijke houdingen tijdens de rustgevende yogales.


‘n Fijne, vaste prik op de donderdagavond. Terwijl de stad zich hult in de drukke koopavond vind ik een uurtje rust. In de gymzaal van een basisschool liggen blauwe matjes in een grote cirkel rondom een brandende kaars.


Straks geurt hier de wierook bij het vaste kopje thee aan het einde van de les. Dan is de gymzaal met zijn herkenbare groene vloer geen speelhok meer, waar overdag kinderen gillen en ravotten, maar overheersen ontspanning en kalmte de warme ruimte. Zo ver is het nog niet. We gaan eerst aandachtig strekken, rustig ademen en onze lijven voelen.

De les volg ik bij Leine, ’n prachtige vriendin uit mijn studententijd. Terwijl ik in de vrije uren van onze studie brallend aan de bar sta, volgt zij er ’n vierjarige opleiding tot yogadocente naast. Ze raakt bevlogen door chakra’s, goddelijke liefde en de kracht van ademen. Laten we zeggen dat mijn interesses destijds elders lagen. Ik vond het maar ‘gezweef’. Nu besef ik dat zij toen niet alleen het mooiste meisje van de klas was, maar wellicht ook de wijste.

Het is de eerste les na de zomerstop. Dat is altijd even wennen. ‘Afzien’ eigenlijk, zelfs bij de meest rustige vorm van yoga (hatha-yoga). Ondanks dat yoga juist betekent dat je´ alles binnen de grenzen van je eigen lijf´ mag doen, zoals Leine dat tijdens de les oneindig declameert. Maar dat die grenzen nodig weer wat opgerekt moeten worden voel ik al bij de eerste houding. We zitten in kleermakerszit, de lotushouding. Het matje is veel te dun om comfortabel te zijn. En geen steuntje in mijn rug om onderuit gezakt tegen aan te hangen.

Op de kalme stem van Leine strek ik mijn ruggengraat en plaats mijn rechterhand achter mijn billen. De romp draait mee en mijn hoofd volgt over dezelfde schouder. Volgens Leine ‘openen’ we daarmee de linkerkant van het lijf. Ik voel hoe daar langzaam ’n soort ´ruimte´ ontstaat. Alsof er lucht naar binnen stroomt, dat voelt lekker.

Dan de stokhouding. ’n Pose die van buitenaf bezien weinig voorstelt maar die ik als zwaar ervaar.


Mijn benen liggen recht vooruit, mijn hielen reiken weg. Opnieuw hoort mijn wervelkolom lang te zijn en mijn schouders laag. “Alsof een touwtje langs je ruggengraat je gemakkelijke de hoogte in trekt”, aldus Leine. In mijn fantasie zie ik ’n trekpop.’n Vrolijk houten poppetje dat de beweging van de draadjes eenvoudig uitvoert. 

Vrolijk voel ik mij niet, houterig wel, en ‘eenvoudig’ gaat ’t ook niet. 

Ik ben simpelweg te futloos om krachtig rechtop te zitten. Mijn kuiten zijn verkrampt en de tintelingen prikken in mijn benen. En mijn bovenlijf;… ik ben zo moe. 

Leine wijst op een rustige ademhaling. “Adem diep in naar je buik en adem langzaam uit.”

Het kaarsje vlakkert zachtjes in het midden van de kring. Op de matjes eromheen focust iedereen zich met gesloten ogen op zijn eigen ademhaling. Met mijn ogen dicht, de stilte om mij heen, heb ik aandacht voor alles wat ik van binnen voel.

’t Overvalt me.

’t Confronteert me.

’t Benauwd me.

God, wat ben ik moe.

Intens moe.


Mijn ademhaling rustig.

Mijn gezicht ontspannen. Door mijn gesloten oogleden voel ik hoe tranen naar buiten slippen. Warm glijden ze over mijn wangen.

Ik adem in naar mijn buik en blaas langzaam uit.

Zo vanzelf als mijn adem stroomt, biggelen ook mijn tranen als ’n niet te stoppen golfbeweging.

Waar komt dit nou vandaan?

Ik ben te moe om erover na te denken.

Ik ben te moe om het tegen te houden.

Ik ben simpelweg te moe om ‘gewoon’ rechtop te zitten.

Ik wil weg uit deze confronterende vermoeiende positie. Van Leine mogen we op handen en knieën zitten. Knieën recht onder de heupen, handen recht onder de schouders. Rustig vraagt Leine het linkerbeen naar achteren te strekken. Ik ken deze oefening al lang. Maar opeens vraagt een onzekere stem in mij zich af of mijn been het wel zal doen… Maar gelukkig, het strekt. Ik weet dat straks mijn rechterarm moet volgen. Weer piept dat nieuwe stemmetje onzeker in mijn hoofd. Maar het stemmetje krijgt geen gelijk, Mijn ledematen luisteren nog en ook mijn arm strekt. Moeizaam, maar hij strekt. Hoe kan dit nou allemaal opeens niet meer vanzelf gaan?

Naast de tintelingen voelt het alsof er strakke zwachtels om mijn huid gebonden zijn die zich steeds strakker aantrekken. Het lijkt alsof iemand ongemerkt gewichten aan mijn armen en benen heeft gehangen. Wat is dit zwaar. Ik voel geen kracht. Ik voel alleen verdriet en onzekerheid. Waar houdt dit op? Ik zie, hoe op mijn matje, mijn tranen twee vochtige cirkels hebben gemaakt.

De kind-houding volgt, waarbij je met je bovenlijf op je onderbenen en knieën zakt en je (voor)hoofd op je matje mag laten rusten. Mijn handen liggen open op de grond. Het voelt als overgave. Zo laag bij de grond kan ik niet vallen. Hier voelt het veilig. God wat ben ik moe, zo zou ik willen blijven liggen.

Maar Leine nodigt ons uit te komen staan. Met open ogen te focussen op een punt vooruit. Na al die jaren yoga weet ik wat nu komt. “De Boom”. We gaan balans vinden, door op een been te blijven staan de ander er zijwaarts tegen aan te zetten. Ik lijk ’n ooievaar. Maar wel ’n hele slechte. Mijn draaierige wereld en smalle voeten hebben mij nog nooit op een been laten staan. In plaats van mijn voet tegen de binnenkant van mijn bovenbeen te plaatsen, zet ik ‘m gemakzuchtig op de wreef van mijn andere voet. Iets lager bij de grond zal me minder wankel maken.

Mis.

Ik verlies mijn evenwicht als ’n stuntelige, dronken ooievaar. Leine reageert bemoedigend. “Het geeft niets als je je evenwicht verliest. Gewoon de houding weer rustig opbouwen en mild opnieuw beginnen. Ervaren wat het lijf nú kan.”

Dat is precies wat ik doe. Niet alleen met deze houding maar met alles sinds mijn MS. Struikelen en met verse moed opnieuw beginnen. Wat vandaag niet kan, kan morgen misschien weer wel. Rustig bouw ik de houding opnieuw op. Weer wankel ik opzij. Van ooievaar naar ezel denk ik in mezelf. Hoe vaak stoot ik me aan die zelfde steen? ‘Geeft niks’, zegt het stemmetje in mijn hoofd. Accepteren en opnieuw proberen.

Eindelijk mogen we weer gaan zitten. Ik voel mijn benen tintelen en verzuurd schreeuwen om rust.

Mijn lijf zo moe.

Mijn lijf dat het steeds moeilijker lijkt te vinden de signalen van mijn hoofd te volgen.

Mijn lijf dat altijd wilde fietsen maar nu vooral wil rusten.

Mijn lijf dat ik soms niet meer herken. Mijn lijf dat al een tijd niet als het mijne voelt.

Mijn lijf.

“Merk je lijf op.” Klinkt de stem van Leine vertrouwelijk door de zaal. “Voel hoe het nù is.”

Ik kan niet anders.

Ik doe niet anders.

Al zou ik anders willen…

Hoe ‘dover’ ik wil zijn voor de signalen van mijn lijf, hoe harder ze lijken te schreeuwen.

Eindelijk mogen we gaan liggen voor het laatste stukje van de les. “Als je lichaam nog iets nodig heeft om warm te blijven,” klinkt Leine in de verte. Naast mij ligt ‘n zacht dekentje klaar. Ik ben voorbereid op de heerlijke eindontspanning. Yoga stretcht mijn pijnlijke, stramme lijf en brengt lucht in de maalstroom van de gedachtes in mijn hoofd. Yoga brengt rust in mijn lichaam waar mijn zenuwbanen om aandacht vechten.

Het dunne matje ligt verrassend lekker. Het licht in de zaal is gedoofd en de geur van wierrook glijdt voorbij. Iedereen ligt ontspannen met de ogen gesloten. Ik daarentegen wil het uitbrullen. Ik wil weg van hier. Weg van dit lijf wat me zo laat zakken. In het half donker sla ik mijn handen voor mijn gezicht. Alsof ik me wil verbergen, maar voor wie?

Dankzij de rust van de les komt het besef en de confrontatie.

Ik wil me voor mezelf verstoppen. Ik wil dit niet zijn. Ik wil dit niet hebben.

Ik wil niet wil voelen wat ik voel,

niet denken wat ik denk,

niet vrezen wat ik vrees,

Ik wil alleen maar hopen en geloven.

Vrolijke energie hervinden.

Dat ik huil,

maar van het lachen!

Na de thee rol ik mijn matje op. Als ik onopvallend mijn dekentje op wil bergen in het opslaghok knalt bruut het felle TL-licht aan. Zonder wat te zeggen, sluip ik er vandoor. Ik wil niet gezien worden.

Ik wil naar huis.

Vluchten.

Weg.

Thuis zie ik voor de spiegel hoe mijn uitgelopen mascara zwarte kringen onder mijn ogen heeft getrokken. Mijn gezicht moe en wit, ik lijk ’n panda. Zojuist was ik ’n trekpop, ooievaar, ezel, boom. En nu ‘n panda. Morgen graag ’n phoenix, herrezen uit mijn as!

“Rustig opbouwen en mild opnieuw beginnen.” Het klinkt bemoedigend in mijn hoofd.

Bron: Publicatiedatum: 4 september 2015